Hoogbegaafdheid niet bepaald door intelligentie

december 11, 2019 9:17 pm | Gepubliceerd door | Reageer op dit bericht

Hoogbegaafdheid werd oorspronktelijk niet bepaald door intelligentie.

Hoge intelligentie of hoge intellectuele capaciteiten kwam er te staan in plaats van bovengemiddelde capaciteiten  in het drieringenmodel van Renzulli en Mönks. Tot mijn grote verbazing kan ik wel zeggen, want intelligentie is toch een heel ander begrip dan capaciteiten in het algemeen. Hier wilde ik meer van weten en velen met mij bleek uit de vele reacties op social media.

In het oorspronkelijke model van Renzulli staat;

  • bovengemiddelde capaciteiten
  • taakgerichte motivatie en
  • creativiteit.
    Identificeren hoogbegaafdheid

Bovengemiddelde capaciteiten

Met bovengemiddelde capaciteiten bedoelt Renzulli niet alleen de academische capaciteiten. Maar ook de capaciteiten op vele andere gebieden. Dit is dan ook niet te bepalen door een prestatie- of intelligentietest.

Taakgerichte motivatie

De taakgerichte motivatie ziet Renzulli als een geconcentreerde vorm van motivatie, ook wel grit genoemd. Volgens Duckworth (2007) zorgt grit ervoor dat je voor langere tijd daadkrachtig kan werken aan uitdagingen ondanks falen, tegenspoed en weinig vooruitgang. Deze geconcentreerde energie is volgens Renzulli gericht op een specifiek onderwerp waar een kind in geïnteresseerd is.

Bovenstaande is te horen en te zien in onderstaande video waar Renzulli het 3-ringen model zelf toelicht.

Merkwaardige Ontwikkeling

Een leerkracht zal waarschijnlijk bij een hoogbegaafd kind inderdaad in eerste instantie denken aan hoge intelligentie en bijzondere prestaties. Maar dit is maar een deel van een groot aantal aspecten van hoogbegaafdheid. Inmiddels is er veel onderzoek naar gedaan wat weergegeven is in modellen, waarbij elk model zijn eigen visie weergeeft. Daar wetenschapper leren van elkaar, bouwen zij weer voort op elkaars onderzoek. Zo bouwde Mönks verder op het onderzoek van Renzulli.

In het boek ’Hoogbegaafdheid bij kinderen’ van Mönks en Ypenburg staat vermeld dat ‘hoogbegaafdheid tot uitdrukking kan komen in motorische, sociale, artistieke en hoge intellectuele vaardigheid. Er staat ook dat mensen vaak op meer dan één van deze gebieden begaafd zijn. Bovendien geven Mönks en Ypenburg aan dat ‘het hebben van aanleg … niet genoeg is’. En dat ‘iedere vorm van aanleg begeleiding en stimuleren nodig heeft om zich te ontwikkelen.

Dan volgt een passage waar ik toch mijn vraagtekens bij heb.

‘Om van hoogbegaafdheid (of was ’t hoogbegaafd gedrag?) te kunnen spreken moeten er volgens Joe Renzulli in elk geval 3 persoonlijkheidskenmerken aanwezig zijn: buitengewone capaciteiten, creativiteit en motivatie (doelgerichte toch?)

Mönks en Ypenburg (2011) kwamen tot de constatering dat er meer nodig is dan alleen persoonlijkheidskenmerken (was Renzulli daar dan niet achter gekomen?) Om van hoogbegaafdheid te kunnen spreken moeten er naast de persoonlijkheidskenmerken ook sprake zijn van 3 omgevingsfactoren; gezin, school en peers of ontwikkelingsgelijken.
Identificatie hoogbegaafdheid
Wanneer we kijken naar het model zoals dat veel te vinden is in boeken en op sites dan is ‘bovengemiddelde capaciteiten’ ineens veranderd in ‘hoge intellectuele capaciteiten. Maar hoge intelligentie is toch heel wat anders?

In het boek ’Hoogbegaafdheid bij kinderen’ van Mönks en Ypenburg geven ze hiervoor de volgende reden:

Bovengemiddelde capaciteiten wordt veranderd in ‘hoge intellectuele capaciteiten’ omdat in het boek vooral gericht wordt op kinderen in de bassisschoolleeftijd. Hier wordt aangegeven dat ‘met buitengewone capaciteiten in de meeste gevallen  intelligentie bedoeld wordt. Hoge intelligentie die, gemeten met een prestatie- of intelligentietest die dus boven het gemiddelde ligt (IQ > 130)’

Doen we dan vele kinderen niet tekort?

Renzulli geeft juist duidelijk aan dat met bovengemiddelde capaciteiten juist niet alleen de academische capaciteiten bedoeld worden. En dat dit dus niet te bepalen is door een prestatie-of intelligentietest.

Natuurlijk weten we inmiddels dat niet alleen hoge intelligentie bepaald of iemand hoogbegaafd gedrag laat zien, maar dit drieringenmodel wordt wel op veel sites, in veel documenten en boeken nog steeds aangehaald.


Beperking intelligentietest

Hoewel een goede diagnosticus op de hoogte is van de beperkingen van IQ scores en meerdere aspecten van een kind in een eventueel advies betrekt, gebeurt het helaas wel dat binnen beslissingsprocedures op een rigide manier met IQ scores om wordt gegaan (Houkema, 2008).

Wat mij het meest verwonderd is dat er zo’n focus gaat naar intelligentie terwijl dat in oorsprong niet niet bedoeld is. Bovendien gaat het volgens mij niet om het etiket hoogbegaafd, maar of een kind in staat is om hoogbegaafd gedrag te laten zien. Hierop moet de begeleiding toch afstemmen zodat een kind zich zo optimaal mogelijk kan en mag ontwikkelen?

Wat ik mij nog afvraag is;

– Hoe zit het nu met verdwijnen van taakgerichte motivatie? Is een hoogbegaafd kind dan altijd gemotiveerd?
– Welke invloed hebben de omgevingsfactoren om te zorgen dat er hoogbegaafd gedrag ontstaat?
– Natuurlijk is een prestatie- of intelligentietest zinvol. Niet als toelatingseis, maar waarvoor dan wel?
– Het is toch mogelijk om een helder beeld van talenten en persoonlijkheidskenmerken van leerlingen te krijgen op zowel cognitief als mentaal/emotioneel en sociaal vlak te krijgen? En daar dan de begeleiding op af te stemmen?

 

Deze blog wordt zeker vervolgd. Wil jij op de hoogte blijven schrijf je dan in.

Ja, ik wil zeker op de hoogte blijven.

 

Tags : , , ,

Gecategoriseerd in:, ,

Dit bericht is geschreven door Karin



Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *